Ratten

De avond zet in, de hemel kleurt paars, blauw en zachtgeel tegelijkertijd. Mijn voeten duw ik dichter naar het vuur, ik adem en adem, kan niet stoppen met ademen. Nu voel ik dat ik – godverdomme – lééf! We nemen de ukulele en de gitaar en zoeken een samenspel, maken samen een lied.

Soms vraag ik me af
Waarom maken wij het steeds af

Doorheen alle winden
willen wij – misschien
mekaar steeds vinden

We zingen, steeds luider, de nacht in. Kruipen dichter tegen het vuur, happen naar adem en heffen nogmaals een strofe aan. En nog één. Er is lucht, er is vuur, ik kan ademen.

We zien een hoofdlamp naderen, een koppel laat hun hond uit en komen onze richting uit. Jullie mogen hier niet zijn, maar we gaan jullie nu niet weg jagen. Morgenvroeg moeten jullie weg zijn. Ik ben het kotsbeu gecriminaliseerd te worden voor gewoon menselijk gedrag. We danken hun voor enig menselijke tolerantie en zingen verder de koele nacht in.

Blaine Harden van de Washington Post schreef ooit;

Verveling doodt en degenen die het niet doodt, verlamt het, en degenen die het niet verlamt, zuigt het leeg als een bloedzuiger, waardoor de de slachtoffers bleek, flauw en zorgelijk worden (…) Ratten die in comfortabele isolatie worden gehouden, worden snel springerig, prikkelbaar en agressief. Hun lichamen trillen, hun staarten schilferen….

Ik zie allemaal ratten om me heen, bleek en zorgelijk trappelen ze verder in het rad, eeuwigdurend – in het rond. Ze denken vooruit te komen als maar blijven doorlopen, met het lekkere graan op reikafstand, maar het valt nooit te bereiken. Het rad heeft geen begin of geen eind. In de andere kooi zit een andere rat, ook te hollen. Ze denken naar elkaar te kunnen lopen, maar draaien alleen maar om hun eigen nulpunt heen, totdat de waanzin doorbreekt.
Van maandagochtend tot donderdagavond daalt mijn gemoed – ik zit alleen, te werken, achter een scherm. Mijn bureau is helder, warm en comfortabel, doch ga ik er zachtjes dood. Iets in me sterft, het moet het kind zijn. Geef me bossen, laat me rondhossen. Laat me verdwalen en zo mezelf weer te vinden.

We klimmen – om uit de gevangenis te ontsnappen !! Ludwig Hohl, 1926

Ik cross over heuveltjes, in bochten en hos in de bossen. Een mens hoort te spelen (Homo Ludens). Het bonken van mijn hart, het diep suizen van zoveel lucht in mijn longen, …ik schreeuw me de berg op en lach, uitgeteld over mijn stuur. Dit spelen is onnuttig, maar niet doelloos en broodnodig.
Ik voel zijn arm om me heen, hij slaapt, ik ben (uiteraard – nog steeds) wakker. Het is zo koud, het vuur is gedoofd. We hebben elkaar beloofd elkaar te steunen in ons van elkander los te maken. Omdat we elkaar perspectief, vrijheid en liefde gunnen. Dat dat allemaal misschien wel schoon en goed is, maar dat dat steekt in mijn borst. Maar, mijn hart klopt en ik adem – eventjes ademloos.

Ik zie het bos, maar waar zijn de bomen (digitale tekening door Missim)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.